De raafKuikynnjaku (Korjakensprookje) |
![]() |
Aan
het strand woonde eens de oude, wijze raaf Kuikynnjaku. Het hele geslacht van de
raven gaat tot hem terug. Hij wist veel en kon alles. Alles en iedereen
gehoorzaamde hem en hij kon alles veranderen in wat hij maar wilde.
Men
vond hem vooral zo wijs, omdat hij van grappen hield. Hij wist dat een grap
leerzamer kan zijn dan schelden en slaan.
Op
een dag had de raaf Kuikynnjaku zin een goede grap uit te halen. Hij ging naar
het strand en verzamelde oude, lege mosselen. Hij vond ook nog een vis; een zalm
die door de golven op het strand was gespoeld. Daarna plukte hij een bosje
zeegras.
Met
al deze dingen verliet hij het strand en trok de toendra in. Daar bouwde hij een
hut. Hij trommelde op zijn tamboerijn en blies op de vis. Deze veranderde in een
aardige, oude man.
"Ik
noem je vader Zalm," zei de raaf.
Weer
sloeg hij op de tamboerijn, blies op het bosje zeegras en veranderde dat in een
oude vrouw.
"Jou
noem ik moeder Zeegras," zei hij.
De
lege mosselen veranderde de raaf in een kudde rendieren. Er waren net
zoveel rendieren als er eerst mosselen waren. Daar lagen ze nu te
herkauwen en ze bewogen hun geweien. Ze konden alleen niet lopen, want poten
hadden ze niet.
Nu
was de behuizing klaar!
Kuikynnjaku
keerde zich op één been om, sloeg op de tamboerijn, blies op zichzelf en naam
de gedaante aan van een flink jong meisje met rode wangen en stevige benen. Het
meisje maakte een vuur voor de hut en ging ernaast zitten.
OOOp
dat moment kwam de zoon van Kuikynnjaku, Ememkus, de toendra door. Of hij zomaar
wat rondzwierf of iets van plan was, weten we niet. Misschien wist hij het zelf
ook niet.
Toen
hij de hut zag, was hij erg verbaasd.
"Kijk
eens aan," zei hij in zichzelf, "Er zijn nieuwe mensen in onze toendra
komen wonen. Waar zullen zij vandaan komen? Zeker van de andere kant van de
bergen. Ik ga erheen en zal het vragen."
Toen
Kuikynnjaku zijn zoon zag, riep hij blij:
"Gegroet,
beste gast! Ben je gekomen om kennis te maken?"
"Ja,"
antwoordde Ememkus en hield zijn ogen onafgebroken op het meisje gericht.
Kuikynnjaku
riep naar binnen:
"Zeg,
vader Zalm, kom de gast eens begroeten. Zeg, moeder Zeegras, zorg voor onze
gast."
"Kom
toch binnen, beste gast," zei vader Zalm.
Ememkus
ging naar binnen, maar draaide zich telkens om om naar het meisje te kijken.
Moeder
Zeegras bracht hem wat te eten. Hij at en keek eens om zich heen. Tussen de
gordijnen zag hij de tamboerijn hangen. Hij stond op en wilde erop gaan
trommelen, maar het meisje riep:
"Hang
de tamboerijn weer op zijn plaats, gast!"
Ememkus
was blij dat het meisje tegen hem sprak, en ging naar haar toe.
"Wat
een mooie tamboerijn hebben jullie," zei hij.
"Dat
is het zeker," antwoordde het meisje. "Ik heb er drie rendieren
voor moeten geven."
"Was
dat ver hiervandaan?" vroeg Ememkus. Want hij wilde graag aan de weet
komen, waar het meisje vandaan kwam.
"Ja,
ver," antwoordde het meisje. "Voorbij zeven bergen en zeven
meren." Ze lachtte vrolijk.
Kuikynnjaku
moest lachen, omdat hij zijn zoon er zo mooi in liet lopen.
Hoe
meer het meisje lachtte, hoe aardiger Ememkus haar vond. Hij lachtte met haar
mee. Nu herinnerde hij zich opeens dat het niet beleefd is te lang te blijven.
Hij was hier tenslotte pas voor de eerste keer op bezoek. Dus nam hij afscheid
en ging naar huis.
Zo
lang het meisje bij het vuur hem nog kon zien, liep hij langzaam. Daarna rende
hij naar zijn moeder en vertelde haar:
"Van
voorbij zeven bergen en zeven meren zijn mensen gekomen en die zijn bij ons in
de toendra gaan wonen. Een oude man, een oude vrouw en hun dochter. Ze hebben
een flinke kudde rendieren, een mooie
hut en een mooie dochter. Ze is niet alleen mooi, maar ook erg vrolijk, en ze
lacht altijd."
Zijn
moeder antwoordde:
"Mijn
man, je vader, is eerder dan jij in dezelfde richting vertrokken. Als het waar
is wat jij zegt, zou hij mij het nieuwtje allang verteld hebben. Hier klopt iets
niet!"
"Ja,
moeder, echt, het klopt wel! Als je me niet gelooft zal ik je nog meer
vertellen: het meisje heeft rode wangen en stevige benen. De rendieren
zijn van de verre tocht erg moe geworden, want ze liggen stil en veranderen niet
van plaats."
"Ze
liggen stil? Ik zeg je, jongen, daar klopt iets niet!"
"Toch
wel, moeder, het klopt! In de hut hangt een mooie tamboerijn. Maar het meisje
vond het niet goed dat ik erop trommelde."
"Dus
je mocht de tamboerijn niet bespelen? O, die grappen ken ik! Ik ga er zelf heen
om het met mijn eigen ogen te zien."
"Ga
maar gauw, moeder, en vraag het meisje of ze mijn vrouw wil worden! Ik vind haar
erg aardig."
"Houd
je mond, domkop!" gebood zijn moeder.
De
vrouw van Kuikynnjaku, Miti, de moeder van Ememkus, was al een oude vrouw, maar
ze rende lichtvoetig als een jong meisje door de toendra.
Toen
Kuikynnjaku haar zag, zei hij:
"Gegroet,
beste gast. Ben je op bezoek gekomen?"
"Ja,
op bezoek," antwoordde Miti, nog steeds rennend.
Kuikynnjaku
riep tegen de oude man: "Kom naar buiten, vader Zalm, en begroet onze
gast."
Vader
Zalm kwam naar buiten. Miti keek hem niet eens aan, maar ging naar binnen.
Moeder Zeegras bracht haar iets te eten. Miti at er niets van. Ze liep
regelrecht naar de tamboerijn en trok hem van de kant met een schellend geluid.
Meteen
riep het meisje bij het vuur haar toe:
"Raak
de tamboerijn niet aan, gast! Hang hem weer op zijn plaats, anders gebeuren er
ongelukken!"
"Even
geduld, dan zal ik je een ongeduld voortoveren!" zei Miti.
Zij
begon te trommelen. ZZe trommelde tot ze niet meer kon. Toen liet zij de
tamboerijn met rust en keek om zich heen. Rondom haar was de lege toendra. Het
hutje was verdwenen, alsof deze er nooit gestaan had. Er waren geen rendieren
meer, en vader Zalm en moeder Zeegras waren nergens te bekennen. Alleen het vel
van een zalm lag op de grond en daarnaast een bosje droog zeegras en een hoopje
mosselen. Bij het vuur zat geen meisje met rode wangen, maar de oude raaf
Kuikynnjaku.
Scheldend
liep Miti naar haar man toe.
"O,
jij schavuit! Ga op jacht in plaats van zulke domme streken uit te halen!"
"Wat
heb jij daarmee te maken? Jouw plaats is thuis bij het vuur! De jacht is iets
voor mannen; bemoei je er niet mee!"
"Waarom
heb je onze zoon het hoofd op hol gebracht, domme oude man? Hij is buiten zinnen
van verliefdheid!"
Kuikynnjaku
begon te schateren.
"Dus
hij is er ingelopen, die domkop?"
"Lach
je daar ook nog om?"
Miti was razend. Ze
trok haar man aan zijn haar. Kuikynnjaku verdedigde zich en bleef lachen.
Eindelijk
werd Miti moe.
"Waarom
ben je nu zo boos op me?" vroeg haar man. "Daar komt niets goeds uit
voort. Het was toch een mooie grap? Jij bent er niet ingevlogen, jij had het
door! Het wordt tijd dat onze zoon dit soort grappen ook doorheeft, want hij is
geen klein kind meer. Het is vaak zo dat men niet op zijn eerste indruk moet
afgaan. Je moet dieper nadenken en de zaken zorgvuldiger bekijken."
Nu
was Miti niet boos meer.
"Wat
zullen we tegen onze zoon zeggen?" vroeg ze.
"We
zeggen tegen hem dat de nieuwe buren weer naar hun vroegere woonplaats voorbij
de zeven bergen en de zeven meren zijn teruggekeerd.
Miti
lachtte, en samen gingen ze naar huis.
Uit:
De veer van de kraanvogel : sprookjes uit het hoge noorden van Rusland en
Siberië / voor kinderen naverteld door N. Gesse en S. Sadunaiskaja ; vert.
door Leni Hof - Hoogland
ISBN 90-620-7052-3