Verhalen, waar
rendieren in voor komen:
|
Lesidee
|
Kerstmis wordt nergens zo uitgebreid gevierd als in Scandinavië en vooral in Finland. Daar is kerstmis een feest van gedeelde vreugde, warmte en intimiteit. Op die dag worden ook de gestorven familieleden herdacht. Reeds weken voor de grote dag wordt het feest voorbereid. Het duurt trouwens tot na Driekoningen.
De dag van de heilige Lucia, het feest van het licht.
Op 13 december wordt de heilige Lucia gevierd. Zij is "de verloofde van het licht" of " de dochter van de langste nacht". Die dag is de donkerste van het jaar. Daarna lengen de dagen opnieuw en komt het mooie weer terug. Het feest van het licht is een familiefeest. Op die dag staat iedereen vroeg op behalve papa. Mama geeft witte jurken aan de kinderen. Het blondste meisje van het gezin mag een kroon met kaarsje dragen. Zij is "Lucia''. De andere zussen krijgen een kroon van zilverpapier, de broers een punthoed versierd met sterren. De kinderen gan zo hun vader verrassen. "Lucia" draagt een schotel met een kop koffie, broodjes met saffraan en koekjes.
Het land van de kerstman
De kerstman woont in
Lapland, op de berg Korvantunturi, samen met zijn vrouw. Het is
een plaats die zeer moeilijk te bereiken is. Daarom heeft hij ateliers en een
kantoor dicht bij Rovaniemi, de hoofdstad van Lapland. Hoewel Rovaniemi niet al
te groot is heeft ze toch een zeer moderne luchthaven waarop veel grote steden
jaloers zijn. Elke dag landen er vliegtuigen uit de hele wereld.
De helpers van de kerstman
zijn gekleed in rood geklede aardmannetjes. Zij helpen hem bij het verwerken van
de post die vanover de hele wereld komt. Ook via het internet krijgt hij
duizenden berichten. Iedereen zou antwoord krijgen hoewel ik al tweemaal iets
geschreven heb maar nog niets heb gekregen!
Door-Marion van der Dennen
Kerstmis in Fins Lapland en hoe het daar werkelijk toegaat
De Finse Lappen hebben
geluk. Zij wonen namelijk vlak bij de kerstman. Hun kinderen zijn opgegroeid met
bezoeken aan de goede oude man met de witte baard. Pas in de jaren vijftig deelden ze het geheim van
zijn verblijfplaats met de rest van de wereld.
Tijdenlang vertelden
Noordamerikanen, Engelsen en Scandinaviërs hun kinderen over de kerstman. Deze
zou op de Noordpool wonen. Voor de kleintjes bleef hij een onbereikbaar persoon.
Maar in 1925 brachten de kranten groot nieuws. De grasetende rendieren konden
helemaal niet leven op de Noordpool. Vandaar dat de goede oude man in Fins
Lapland woonde, in. de 'orenberg' om, precies te zijn. De oren die uit de berg
steken, zijn die van de kerstman, zodat bij naar alle kinderen in de wereld kan
luisteren. Hij hoort het dus als er iemand niet zoet is. Binnen in de berg wonen
ook zijn helpers, de drukke elven.
Na de onthulling van zijn
geheime verblijfplaats kreeg Santa ineens veel bezoekers. Daarom besloot hij in
1985 zijn eigen kantoor te openen op de poolcirkel, vlak bij de hoofdstad van
Lapland, Rovaniemi. Daar kunnen kinderen en volwassenen uit de hele wereld hem
iedere dag van het jaar opzoeken. De kerstman geeft dan een speciaal cadeau:
Iedereen die in een volgend leven één van Santa's rendieren wil zijn, krijgt
twee krijtstrepen op de slapen. Daar zal later een gewei uitgroeien.
Tot zover de
sprookjesversie. In werkelijkheid gaat het om een grootschalige
toeristenindustrie. 'Het SantaPark, the Christmas Experience', zoals het park
heet, wordt gerund door vele Finnen.
Om de beurt spelen ze de
kerstman. Betalende toeristen mogen een tochtje maken met Santa's rendieren, of
op de foto met de oude baas. Winkeltjes vol kostbare souvenirs brengen extra
geld in het laatje
Voor de goedgelovigen onder
ons volgt hier het postadres van de kerstman: Santa Claus Office, FIN-96930,
Arctie Circle, Finland. Een antwoord is gegarandeerd. De Finse kerstman heeft
namelijk zijn eigen postkantoor.
Bron: News.nl 7 december 2000
En wat de Finnen zelf van Kerstmis vinden?
In Finland, het land waar
Santa Claus woont, wordt met Kerstmis vooral veel gegeten, net zoals hier.
Verder gaan de Finnen natuurlijk de sauna in en zijn er cadeautjes, kerstbomen
en lichtjes. Sari Hämekoski is twintig jaar en studeert medicijnen in het
Duitse Lübeck. Voor de feestdagen gaat ze naar huis, in het Finse Tampere, om
bij haar vader Jukka, moeder Kaisu en broer Juba te zijn.
Cadeautjes
Sneeuw
Bij deze een echte Finse Kerstwens: Hyvää Joulua!
Bron: Stadskrant Veghel, 2000, nr. 51
Over het al dan niet bestaan van de kerstman
In Eindhoven doet men ook aan wetenschap! Jawel! Aldaar heeft zich, uitgestrekt over enkele weken, de volgende tekst via e-mail ontwikkeld, door een aantal werktuigbouwkundigen. De persoon die het allemaal te boek heeft gesteld, staat bekend als Dr. Faust (al is het nog maar de vraag of het hier om een academische titel gaat).
1) Geen enkele bekende soort rendieren kan vliegen, MAAR er zijn (volgens schattingen) nog 300.000 soorten levende organismen die vooralsnog niet ontdekt zijn, en hoewel dit over het algemeen insekten en virussen zullen zijn, sluit dit niet HELEMAAL uit dat vliegende rendieren bestaan, al heeft alleen de kerstman die ooit gezien.
2) Er zijn 2.000.000.000 kinderen (mensen onder de 18) over de gehele wereld, maar omdat de kerstman (waarschijnlijk) de moslims, hindoes, joden en boedhisten overslaat, wordt het aantal kinderen 18,9% van het totaal: 378 miljoen, volgens betrouwbare bronnen. Een gemiddelde van 3,5 kinderen per huishouden levert een totaal van 108 miljoen huizen op. We zullen aannemen dat er per huishouden tenminste 1 goed kind is (dit is een optimistische schatting).
3) De kerstman heeft 31 uur de tijd dankzij de verschillende tijdzones en de rotatie van de aarde, aangenomen dat hij van oost naar west werkt (wat logisch lijkt). Dit zijn dus 3,48 miljoen huizen per uur, ofwel 968 huizen per seconde. Dit betekent dat hij per christelijk huishouden met goede kinderen 1,033 milliseconden de tijd heeft om te parkeren, uit de slee te springen, de kadootjes onder de kerstboom te leggen, weer in de schoorsteen te klimmen, de slee op te starten en weer naar het volgende huis te gaan. Als we ook nog eens aannemen dat al deze huishoudens gelijkelijk over de wereld zijn verdeeld, (we weten dat dat niet zo is, maar om de berekeningen gemakkelijker te maken doen we het toch) hebben we het nu over 1,3 kilometer tussen twee huishoudens, en een totale rit van 140,4 miljoen kilometer. Dat betekent dat de slee van de kerstman met een snelheid van 1258,1 kilometer per seconde reist: 4194 keer de snelheid van het geluid. Ter vergelijking: het snelste voertuig ooit, de ruimtesonde Ulysses, gaat maar 46 kilometer per seconde. Een normaal rendier haalt hooguit 60 kilometer per uur.
4) Het gewicht op de slee leidt tot nog iets interessants: aangenomen dat ieder kind een normale lego-doos zou krijgen (ongeveer 1 kilo), draagt de slee dus minstens 108 miljoen kilo, waarbij het gewicht van de kerstman nog is genegeerd. Op het land kunnen rendieren niet meer dan 160 kilo trekken. Zelfs als een `vliegend rendier' tien maal dit gewicht zou kunnen trekken, kunnen we niets met acht of negen rendieren; we hebben er 675.000 nodig (dit zou wel eens de gehele populatie kunnen zijn, hetgeen verklaart waarom deze beesten nooit in het wild gezien worden). Het totale gewicht wordt nu 148,5 miljoen kilo. Ter vergelijking, dit is drie keer zo zwaar als prins Willem-Alexander.
5) 148,5 miljoen kilo met een snelheid van 1258,1 kilometer per seconde zorgt voor een waanzinnige wrijvingskracht. De rendieren zullen op dezelfde manier verhit worden als een ruimtesonde die door de atmosfeer van de aarde heen komt. De voorste twee rendieren zullen naar schatting 14,3 miljard kilojoule per seconde absorberen. Waarschijnlijk zullen ze hierdoor ontploffen en de twee rendieren achter zich aan de wrijvingskracht blootstellen. Ook zullen er geluidsknallen als nooit tevoren ten gehore gebracht worden. In 0,00426 seconden zal het hele team van rendieren zijn ontploft. In de tussentijd zal de kerstman aan middelpuntvliedende krachten van 17.000 keer de zwaartekracht worden blootgesteld. Een kerstman van 300 kilo wordt zo de lucht in gesmeten met een kracht van 443.150 Newton.
Ter conclusie, als de kerstman ooit pakjes heeft gebracht op kerstavond, is hij nu waarschijnlijk dood. Maar natuurlijk zijn er even sprekende argumenten te verzinnen, om het wel bestaan van de kerstman aan te tonen en `s mans activiteiten fysisch aannemelijk te maken.
JAAP EN DE TOVENAAR VAN OUDEJAAR.
Op de ochtend van 25 december werd Jaap wakker en
voelde zich vervelend.
Wat was dat nou ook weer? Oh ja, dat nieuwe kind! Twaalf jaar lang was hij het
enige kind geweest, maar toen was zijn moeder weer zwanger geworden. En nu
draaide alles al tijden om de nieuwe baby, die nota bene nog niet eens geboren
was!
Gemelijk ging hij zitten. Het was niet meer donker, maar ook nog niet echt
licht. Hij keek op het klokje naast zijn bed. Tien over zeven. Hij stond op en
deed een gordijn open. Nieuwsgierig keek hij naar buiten. Er was niemand te
zien. En niets te horen. Voor de zekerheid keek hij nog maar eens op zijn
klokje. Tien over zeven.
Wacht eens...tien over zeven? Nog steeds?!
Hij liep naar het klokje en pakte het op. Het stond stil.
Nou ja, nu hij toch wakker was, kon hij net zo goed naar beneden gaan. Zijn
moeder was vast al aan het feestelijk ontbijt bezig.
Normaal gesproken verheugde hij zich op de warme keuken, de geur van
worstebroodjes en zijn moeder die Kerstliedjes neuriede. Ze zou op haar eigen
rustige manier bezig zijn, hem af en toe aankijkend met dat lieve glimlachje
waar hij altijd een beetje verlegen van werd.
Nu, want ze liep op het eind van haar zwangerschap, waggelde ze met haar bolle
lijf en praatte regelmatig tegen dat ongeboren wicht. Hij voelde zich dan
buitengesloten.
Beneden was echter niemand. Vreemd! Hij keek op de
grote klok in de huiskamer.
Tien over zeven!
Er was iets heel eigenaardigs aan de hand. Daar wilde hij even over nadenken.
Hij ging in zijn vader’s grote leunstoel zitten en doezelde al mijmerend weg.
Hij schrok zich dood toen hij een gekrabbel hoorde aan de tuindeur. Hij keek
naar waar het geluid vandaan kwam.
Daar stond een hert!
Van de schrik zwaaide hij wild met z’n armen: "Kssst!" Het hert liep
niet weg. Plotseling herkende Jaap het dier. Dit was geen hert, maar een
rendier. En het bleef hem maar strak aankijken. Tegen wil en dank schuifelde
Jaap naar de tuindeur. Ze stonden nu bijna neus aan neus. Nog bewoog het rendier
niet. Werktuiglijk deed hij de tuindeur open en liep naar buiten. Het dier kwam
op hem af en bij wijze van begroeting schuurde het de kop over Jaap's schouder.
Vervolgens draaide het zich om, knielde en keek om alsof het wilde zeggen:
"klim maar op m'n rug." Jaap
vond eigenlijk dat hij al dapper genoeg was geweest. Het idee om op de rug van
dat beest te klauteren bezorgde hem kriebels in zijn buik. Als om hem aan te
moedigen zakte het rendier ook nog door de achterpoten. Zo kon Jaap er
gemakkelijker op.
"Ach, wat zou het ook," bromde hij,
"eigenlijk ben ik wel nieuwsgierig naar wat er gaat gebeuren."
Hij klom op het dier en klemde zich vast aan de dikke vacht van de nek. Het
rendier stond op, nam een aanloop, dan een ongelooflijke sprong en Jaap merkte
tot zijn ontzetting dat ze de lucht in gingen! Ze vlogen!
De wind suisde om zijn oren. In een mum van tijd zaten ze boven de wolken. Na
een tijd zag Jaap in de blauwe verte een grote cirkel van allemaal stippen. Ze
kwamen steeds dichterbij. Nu kon hij zien dat die stippen enorme cijfers waren.
En hij zag ook twee wijzers.
"Maar,...dat is een klok!", dacht hij.
De klok stond op tien over zeven! Het rendier vloog naar het midden van de
reusachtige klok. Ze doken pardoes in het rondje waar de wijzers samenkwamen en
begonnen aan de landing.
Daar was een groot kasteel met dikke muren en heel veel torentjes.
Pal voor de neergelaten ophaalbrug kwamen ze neer. Door de boog van de poort
kwam een bolle figuur in wapperende rode kleren met veel wit bont hen tegemoet.
Het was de Kerstman!
"Ik droom", dacht Jaap.
"Ho-ho-ho, m'n brave Rudolf, je hebt hem
gevonden en meegebracht", begon de Kerstman.
"Ga maar gauw naar de warme stal wat eten, m'n beste, dat heb je wel
verdiend. En jij, jongeman, klim eraf en kom met me mee. Ik zat al op je te
wachten."
Dit laatste zei hij tegen Jaap, waarbij hij hem ongeduldig aan de mouw van zijn
pyjama trok.
Bibberend klom Jaap van de rug van het rendier.
"Bij alle rendieren jongen, jij moet het wel
koud hebben", zei de Kerstman vriendelijk bezorgd, "als de tijd niet
stilstond zou het nu al sneeuwen. Kom gauw naar binnen, daar brandt een heerlijk
vuur."
"A-als de tijd niet-eh-stilstond....? Dan-dan heb ik het dus toch goed
ge-gezien?", hakkelde Jaap.
"Jawel kerel, maar daar praten we dadelijk wel over. Kom eerst met me mee
voor een kop warme chocolademelk bij de open haard."
De Kerstman beende naar binnen en Jaap rende er achteraan. Wat nam die man een
enorme passen! Vluchtig zag Jaap een grote binnenplaats, een enorme hal, een
paar gangen met houten deuren en uiteindelijk stonden ze in een grote troonzaal.
Hijgend vroeg hij: "Zijn we er nu?"
De Kerstman keek om en lachte schaterend. "Ho-ho-ho, heb ik wat te hard
gelopen voor die korte beentjes van je? Maar, ja we zijn er. Dit is de
Levenszaal en nu ga ik je voorstellen aan de Tovenaar van Oudejaar."
"Nou weet ik zeker dat ik droom", dacht Jaap.
Ze liepen door de zaal naar een reusachtige schouw
waarin een knetterend houtvuur brandde. Het eerste wat Jaap zag was een
torenhoge zandloper. Aan de voet daarvan, dicht bij de haard zat, op een fraaie
houten troon, een man die er erg oud uit zag. Links en rechts van de haard
strekte zich een schemerig witte vlakte uit. Even later zag hij wat dat was:
zover als het oog reikte niets dan kaarsen. Eentje brandde er slechts.
De oude man had een lange grijze baard en spierwitte haren. Hij was gekleed in
een purper gewaad, versierd met tekens en symbolen. Hij steunde zijn hoofd in
één hand en keek mijmerend voor zich uit.
De Kerstman riep: "Vadertje, hier is hij dan. M'n brave Rudolf heeft hem
voor me gehaald. Ik zei je toch dat hij zou komen. Eh- hoe heet je jongen?"
"Jaap", antwoordde deze bedeesd.
"Jaap, dit is Vadertje, de Tovenaar van Oudejaar en Vadertje, dit is
Jaap."
De Tovenaar keek nauwelijks op.
"Wat heb je nu weer uitgedacht Klaas?", vroeg hij uiteindelijk met
vermoeide stem. "Je kunt doen wat je wil, het antwoord blijft nee! Ik zet
hem niet meer aan de gang. Ze moeten onderhand maar eens leren dat ze niet alles
zo maar ongestraft kunnen uitvreten.Ik heb genoeg van al hun rotzooi. Je hebt
zelf gezien dat ik het zand bijna niet meer schoon krijg. Ik blijf niet eeuwig
aan de gang om de troep achter hun kont op te ruimen. Ze bekijken het
maar!"
Met een diepe zucht zette hij de andere elleboog op zijn knie en verplaatste
zijn hoofd. Mijmerend keek hij weer in het niets.
Jaap begreep er niks van. Vragend keek hij naar de
Kerstman. Die haalde even zijn schouders op.
Een verdrietige trek stond op zijn gezicht.
"Kom Jaap", bromde hij, "ga even zitten, lekker dicht bij het
vuur. Ik laat de beloofde chocolademelk aanrukken en dan zal ik je een en ander
verduidelijken."
Terwijl Jaap even later nipte aan een beker hete chocolademelk en zich
behaaglijk warm voelde worden, zat de Kerstman nadenkend naar hem te kijken. Een
tijdje waren ze samen stil. Af en toe klonk er een zucht van de Tovenaar en het
geruis van zijn gewaad als hij zijn hoofd weer eens verplaatste.
"Zo zit hij nou al uren jongen", zei de Kerstman uiteindelijk.
"Ik kwam even langs voor mijn jaarlijkse praatje voordat ik met mijn slee
en rendieren de lucht in ga en trof hem zo aan. De zandloper stil, alle kaarsen
uit en hijzelf verdrietig en boos."
"Staat daarom de tijd stil?" vroeg Jaap.
"Dat klopt knul. Kijk, die enorme zandloper bevat precies genoeg Tijdzand
voor een heel jaar. De Tovenaar zorgt ervoor dat het lekker gelijkmatig
doorloopt, zodat de Tijd ordelijk verstrijkt. Maar in de loop van het jaar
vervuilt het zand. Bij ieder beetje onrecht dat "Ze" -de mensen dus-
op aarde begaan, bij elke vervuiling, onheuse bejegening, oorlog en ga zo maar
door, treedt er een lichte moddervorming op.
Tegen het einde van het Oude Jaar begint de Tovenaar met spreuken en rituelen
het zand schoon te maken. Het klapstuk is de machtige toverspreuk precies om
middernacht op 31 december. Dan is het zand weer zuiver tot op het laatste
korreltje en draait de zandloper om, zodat de Tijd fris en onbezoedeld aan het
volgende jaar kan beginnen."
"En wat is er met die kaarsen?"
"Dat zijn de Levenslichten. Voor ieder mens is er één. Aan de linkerkant
zie je de mensen die nu op aarde leven. Als hun Tijd om is blaast hij hun
vlammetje uit. Aan de rechterkant staan de ongeboren levens. Telkens als er een
mens op aarde bij komt, steekt Vadertje een kaars aan en zet die aan de
linkerkant. Zo houdt hij de Eeuwigheid bij.
"Maar nu brandt er maar één?"
"Ja, dat klopt. En dat is nou net het probleem. Vadertje is in de loop der
jaren zo verdrietig en kwaad geworden dat hij de tijd heeft stilgezet."
"Jazeker", klonk het nijdig vanaf de open haard, "en die blijft stilstaan."
Jaap schrok van die uitbarsting. De Kerstman
vertelde onverstoorbaar verder:
"Tot voor een aantal jaren was de taak van de Tovenaar weliswaar zwaar,
maar hij had er plezier in.
Maar het kostte hem steeds meer moeite om het zand op tijd schoon te krijgen. De
laatste paar jaar moest hij zelfs halverwege het jaar aan zijn spreuken en
rituelen beginnen, anders zou het zand van het dan lopende jaar al niet meer
naar beneden komen. Bovendien durfde hij steeds minder kaarsen aan te steken
voor nieuwe, jonge levens. Hij vroeg zich af wat er van hen moest worden en hij
werd steeds verdrietiger bij de gedachte zo'n schone witte kaars van rechts aan
de linkerkant in het "knollenveld", zoals hij het zelf vaak noemde, te
moeten zetten. Uiteindelijk werd het hem allemaal teveel en hij besloot om de
Tijd stil te zetten. Dan kon het niet meer slechter worden. Op hetzelfde moment
blies hij alle kaarsen uit. Omdat de Tijd stilstond zette het ook alle mensen
stil, precies zoals ze vanmorgen om tien over zeven waren."
"Ja, en zo zullen ze wel blijven ook!",
snauwde de Tovenaar weer. "Vertel de jongen ook maar dat Vadertje Tijd en
Moedertje Aarde het méér dan zat zijn. Brassen is al wat de mensen kunnen;
onverschilligheid, kwaadaardigheid, onverdraagzaamheid en egoïsme. Dat is de
oogst van wat wij zo liefdevol zaaien. Daarvan kunnen wij niet meer leven, we
geven het op!"
Zijn stem was van kwaad verdrietig geworden.
Jaap was overdonderd. Hij voelde zich een beetje
triest. Hij geloofde nu niet meer dat hij droomde, dit was écht.
Hij moest denken aan de uitzendingen van het nieuws op radio en televisie.
Eigenlijk was het ook niets dan ellende; oorlog, misdaad, bekrompen gedrag
vanwege andere gewoontes of huidkleur, vervuiling, agressie. Het leek wel of de
mensen niets anders dan geweld en narigheid konden voortbrengen. Misschien had
de Tovenaar wel gelijk, misschien kon de Tijd maar beter stilstaan, dan kon het
ook niet meer slechter worden.
"Maar ook niet beter". Dit had hij hardop gezegd.
"Ho-ho-ho", brulde de Kerstman,
"zie je wel, ik wist het! Jouw kaarsje brandde niet voor niets. Dat wilde
maar niet uit! En Rudolf heeft met zijn scherpe neus uitgevonden van wie het
kaarsje was en jou hierheen gebracht. Jij kunt misschien een ander licht op de
zaak werpen. En dan wordt het weer gewoon Kerstmis en Nieuwjaar!"
De Kerstman was verheugd opgesprongen en sloeg Jaap op zijn schouder. De
chocolademelk spatte in het rond, maar Jaap merkte het niet.
Hij dacht ineens aan iets anders:
"Kerstmis en Nieuwjaar, dat wordt het nu natuurlijk ook niet",
mompelde hij. "Geen sneeuw, geen lampjes in de kerstboom, geen gezellige
lange avonden, geen vuurwerk en geen mensen die elkaar omhelzen.
En ook geen...." Tranen sprongen in Jaap's ogen. Hij sloeg zijn handen voor
zijn gezicht en voelde zich diep verdrietig.
"Wat ook geen... ,wat?" vroeg de Kerstman ongeduldig.
Jaap keek hem aan. Hij veegde met zijn mouw langs
zijn ogen en neus. Hij slikte zijn tranen weg.
"Heb je lucifers Kerstman?", vroeg hij.
"Ja die heb ik wel, maar wat wil je daarmee? Je gaat toch geen gekke dingen
uithalen?
De Tovenaar was inmiddels uit zijn mijmerende houding overeind gekomen. Hij keek
naar Jaap en de Kerstman. Zijn ogen stonden licht verwonderd.
"Geef nou maar", zei Jaap, "dan zul je wel zien."
Hij nam de lucifers van de Kerstman aan en liep naar het rechter kaarsenveld.
"En wat denk jij wel dat je daar kunt gaan
doen?" De stem van de Tovenaar klonk voor de eerste keer hard, gebiedend
zelfs. Jaap schrok en kromp even ineen. Maar dan rechtte hij zijn rug en liep
door.
Hij pakte een kaars uit het immense veld en streek een lucifer aan.
De Tovenaar was opgestaan en keek Jaap verontwaardigd aan. Zijn ogen schoten
vuur. "Wil je dat laten! Wie denk je wel dat je helemaal bent. Jij kunt
hier zomaar geen kaars aansteken, snotaap!"
Jaap haalde diep adem. Hij was toch wel een beetje bang. Maar dan zei hij:
"Oh nee? Moet je eens opletten Vadertje."
Hij hield de brandende lucifer aan de lont er groeide een heldergele vlam aan de
punt van de kaars in zijn hand. Dapper liep hij met de brandende kaars naar de
Tovenaar. Die torende hoog boven hem uit. Zijn gezicht stond woest en hij
zwaaide driftig met zijn handen naar de kaarsvlam. Jaap hield er beschermend
zijn hand voor. De kaars ging niet uit.
Op twee passen van de Tovenaar bleef hij staan en
keek de boze man in de ogen. Hij slikte.
"Weet je, Vadertje Tovenaar, ik bedacht net opeens dat, als je de Tijd voor
altijd stil wil laten staan, ik ook nooit mijn broertje of zusje zal zien. Vaak
heb ik dat misschien wel gewenst, maar nu voel ik het voor het eerst heel
anders.
Ik heb heel erg lang geen broertje of zusje gehad en nou dat eindelijk zou
gebeuren besluit jij om de Tijd stil te zetten. Ik weet wel dat we veel
narigheid veroorzaken op onze Moeder Aarde. Veel dingen waarover een Moeder zich
zou schamen. Maar ik ken geen moeder die daarom haar kinderen maar in de steek
laat. Er zijn ook veel mooie dingen te beleven die mensen gelukkig kunnen maken.
Als de tijd stil staat krijgen ook die geen kans meer.
Per slot van rekening vullen we de Kersttijd met gedachtes aan mooie en zuivere
dingen. We steken lichtjes en kaarsen aan. We herdenken dat er lang geleden rond
deze tijd een ander kind werd geboren dat uiteindelijk veel Licht en Liefde naar
de wereld heeft gebracht. En ik geloof dat ieder nieuw kind diezelfde
mogelijkheden heeft. Dus daarom houd ik nu eigenlijk al zielsveel van mijn
nieuwe broertje of zusje. Ik zal het beschermen en proberen het heel veel moois
te laten meemaken. Dan verandert er al een klein beetje in de wereld. En ik meen
dat ik niet de enige ben die er zo over denkt. Maar als jij ons allemaal geen
kans meer geeft, kunnen we ook niets meer doen.
Dan blijft de wereld zoals ze is, niet slechter, maar ook zeker niet beter.
Papa zegt altijd: het is beter om één kaars aan te steken dan de duisternis te
verwensen. Ik geloof dat ik nou echt begrijp wat hij daarmee bedoelt. En daarom
heb ik deze kaars aangestoken. Voor het nieuwe leven en de nieuwe hoop."
Na deze lange toespraak werd het doodstil. Jaap
wist zelf niet waar hij alle woorden vandaan had gehaald. Ze kwamen recht uit
zijn hart. Hij hijgde licht van de inspanning, een blos gloeide op zijn wangen.
De Kerstman was naar Jaap toegekomen. Zijn gezicht was een en al gulle lach. Hij
nam zijn muts af en maakte een sierlijke buiging.
"Ho-ho-ho-ho, goed gesproken m'n jongen. Wat een redevoering. Petje af,
ho-ho-ho-ho!"
Dan keek hij naar de Tovenaar van Oudejaar.
"Daar kan je het voorlopig mee doen Vadertje. Deze jongen heeft hier in een
paar minuten meer wijsheid verkondigd dan jij en ik samen tijdens de voorbije
dagen konden bedenken."
De Tovenaar was op zijn troon gaan zitten. Verbaasd keek hij naar dat jongetje met rode wangen en een brandende kaars in zijn hand, dat daar voor hem stond. In zijn diepe grijze ogen ontstonden langzaam pretlichtjes. Bedachtzaam knikte hij.
Daarna ging alles bliksemsnel.
De Tovenaar stond op.
"Ga jij je slee maar inspannen, grote lachebek! Ik heb de boodschap wel
begrepen. Ik heb het nog druk. Geef mij die kaars maar jongen en ga snel met die
andere kindervriend mee. Ik moet nog veel doen en dan kan ik het niet hebben dat
er iemand voor mijn voeten loopt."
Dat laatste zei hij wat bits, maar toen hij de kaars van Jaap overnam hield hij
zijn hand even langer vast dan nodig was. Hij keek Jaap een paar tellen aan en
zijn ogen stonden zacht en vriendelijk.
De Kerstman trok Jaap mee.
"Kom, m'n jongen, we gaan. Ik denk dat Vadertje zich een beetje schaamt. Je
hebt het fantastisch gedaan, maar nu is het tijd voor een tactische terugtocht.
We moeten ook een grote Tovenaar die beseft dat hij een vergissing heeft gemaakt
in zijn waarde laten."
De slee werd ingespannen, Jaap kreeg een bontcape van de Kerstman om en in een
wip stoven ze door het middelpunt van de Tijd weer naar de aarde. De Kerstman
riep voortdurend "Ho-ho-ho" en klingelde met zijn bel.
Toen ze in de tuin van Jaap's huis landden, begon
het licht te sneeuwen.
"Jaap, ik bedank je namens alle mensen. Houd je gedachten zuiver en deel ze
met iedereen, ook al komen er soms slechte tijden. Een langere toespraak heb ik
niet voor je, want ik heb grote haast. Het is Kerstmis en ik heb al veel tijd
verloren. Het ga je goed, net als je nieuwe broertje of zusje!"
En met die woorden zette hij Jaap uit de slee. De rendieren hadden geen
aansporing nodig. Ze zetten zich in beweging en stoven de lucht in. Jaap zwaaide
totdat het hele span nog maar een stipje was en hij het vrolijke
"Ho-ho-ho" niet meer kon horen.
Hij ging naar binnen, waar alles nog rustig was.
De klok in de huiskamer stond op elf minuten over zeven. Hij slaakte een zucht
van opluchting. De Tijd liep weer!
Hij ging in pappa's grote leunstoel zitten en liet de vreemde gebeurtenissen nog
eens door zijn hoofd spelen. Wat een avontuur!
Langzaam sukkelde hij in slaap.
Zo trof zijn moeder hem aan toen ze naar beneden
kwam. Ze was een beetje in de war door het late tijdstip. Normaal gesproken was
ze al een half uurtje aan de gang met het ontbijt. Jaap had een gelukkige
glimlach op zijn gezicht.
Moeder streek hem zachtjes over zijn bol, terwijl ze met de andere hand haar
dikke buik vasthield.
"Soms is het een vreemde jongen en weet ik niet wat er allemaal in zijn
hoofd rondspookt, maar ik weet zeker dat je er een fijne broer aan zult hebben
mijn lieve baby", zei ze tegen het nog ongeboren leven in haar lichaam.
Neuriënd ging ze naar de keuken en zette een keteltje water op voor de thee.
Buiten viel zacht en zuiver de sneeuw.